De Aftiteling…

In de kamer zitten 5 mensen. Ze houden allemaal afstand tot elkaar, omdat de tijden van vandaag dat nou eenmaal van ons vragen. Maar ondanks de afstand lijkt het wel of we nog nooit zo dicht bij elkaar zijn geweest. Alsof we naar een film zitten te kijken waarin we ook zelf meespelen. Een verfilming van een boek…

De Titel

Vroeger las ik ze, als kleine jongen. De Vijf en… van Enid Blighton. En wat ik me ervan herinner is dat de vijf vrienden, door heel goed samen te werken, de meest fantastische avonturen meemaakten. De kracht van hun samenwerking was erin gelegen dat ze ieder hun eigen kwaliteit in brachten en die van de anderen ook toelieten. Ze gingen allemaal op hun eigen plaats staan, zonder de plaats van een ander in te nemen.

De Cast

Er zijn vijf spelers. en het zijn ook allemaal hoofdrolspelers. Ze hebben ook allemaal dubbelrollen. Zo is de vader ook echtgenoot. Is de moeder ook echtgenote. Zijn ze beiden ook grootvader en grootmoeder. Ze zijn ook zoon en dochter. Oom en tante. Neef en nicht. De dochter is ook zus, nicht, echtgenote en grootmoeder. De schoonzoon is zelf ook vader en grootvader, broer, en daarnaast natuurlijk ook echtgenoot. Van de verpleegkundige weet ik het niet in detail, maar hij heeft tenminste ook de rol van zoon en collega.

Vijf spelers die allemaal zich zelf meenemen in het spel, maar ook hun achtergrond. De familie waar ze vandaan komen en waar ze bij horen. De grond onder hun voeten waar hun wieg heeft gestaan en waar ze zijn opgegroeid, tot wasdom zijn gekomen. De ervaringen die ze hebben opgedaan, wat ze bewust of onbewust is overkomen, wat voor de krassen op de ziel heeft gezorgd. Wat ze heeft getekend voor het leven. Wat ze heeft gemaakt tot wat ze zijn. Dat allemaal nemen ze mee in het spel..

De vader is ook patiënt in de laatste fase van zijn leven. Geen of slechts beperkte behandeling meer, alleen nog palliatieve zorg. Alle spelers, in al hun rollen zijn zich er van bewust dat er geen sequel meer zal worden opgenomen waarin ze alle vijf een rol spelen. Ook de moeder is patiënt, alhoewel dat nog wat moeilijker te erkennen is. Waar bij de vader het leven vertrekt, vertrekt bij de moeder het bewustzijn, langzaam maar zeker. En dan realiseer ik me dat Het aanstaande vertrek ook een van de spelers is.

Overigens zijn er ook nog andere spelers, maar die zijn niet fysiek aanwezig in deze film. Ze spelen echter natuurlijk wel degelijk hun rol, nu iets meer op de achtergrond, mee. In deze aflevering…

Scene 1: Wat vooraf gaat

De ademhaling van de vader klinkt reutelend. Duidelijk is dat het hem niet makkelijk afgaat. Er is veel vocht dat hem in de weg zit, maar dat door de staat van het lichaam en de al bestaande medicatie niet meer te verminderen is.

Over een week staat de diamanten bruiloft op de agenda. Een hoogtepunt wat voor de vader heel belangrijk is, en waarvan de viering extreem beïnvloed wordt door de lichamelijke gezondheid van de vader, de geestelijke gezondheid van de moeder, en de sociale gezondheid van de wereld. Alles wat gewild werd, is door de omstandigheden niet of slechts zeer beperkt mogelijk.

In de dagen voorafgaand aan de scene wordt de vraag gesteld of, in afwijking van de palliatieve zorg, toch nog gekeken zou moeten en kunnen worden naar behandeling. Duidelijk is dat eventuele behandeling, als die al mogelijk en zinvol is, slechts een tijdelijk resultaat zal hebben. Na verloop van tijd zal de benauwdheid en het vocht weer toenemen. Tot dat het uiteindelijk klaar is.

De vader kan die vraag niet meer beantwoorden. Wellicht kon hij dat nooit, maar nu zeker niet. Hij legt bijna letterlijk zijn leven in de handen van de verpleegkundigen en van zijn kinderen. Jullie weten het. Zeggen jullie het maar. Voor iedereen lijkt het ook duidelijk dat alleen hijzelf die vraag kan beantwoorden.

Scene 2: Wat zich aandient

Zaterdagmiddag zitten de vijf bij elkaar. En de vraag wordt nogmaals gesteld. Wat zou je willen? Wat we hopen, verwachten, nodig hebben, is een zwart-wit antwoord. Ja, ga maar behandelen. Of nee, het is wel goed zo. Maar dat antwoord komt er niet. Er komt een wedervraag. Waarom? Wat maakt dat het is zoals het is? En die hadden we niet zien aankomen.

De camera maakt een ronde langs de gezichten van alle vijf spelers. De emotie is te zien en te voelen. Maar hij is ook wel verschillend. Bij de vader, de moeder en de dochter is er het leven dat ze met elkaar verbindt. Het is warm. De schoonzoon en de verpleegkundige staan iets meer op afstand. Ook al is de genegenheid groot, het is wel koud. En dat geeft ze ook de ruimte om iets anders te doen.

Scene 3: Wat zich voordoet

Het gesprek ontbrandt. Het vuur wordt de vader na aan de schenen gelegd. De verpleegkundige en de schoonzoon voelen zonder woorden uit te wisselen dat dit hét moment is om door te duwen. Om liefdevol meedogenloos de vader te helpen de voorliggende vraag verder te onderzoeken. Het is balanceren op het scherpst van de snede. Het is steeds blijven weten, voelen en toezien dat werkelijke vragen worden gesteld en niet de eigen ideeën worden uitgesproken.

De schoonzoon begint vragen te stellen. De grenzen op te zoeken. De verpleegkundige luistert. Hij schept de liefdevolle ruimte waarbinnen het gesprek zich kan voordoen. Dan neemt de verpleegkundige het gesprek over. Hij doet het niet over, niet opnieuw, maar borduurt verder. Vanuit zijn eigen positie, vanuit zijn eigen professie. De schoonzoon luistert en borgt de liefdevolle ruimte voor het gesprek.

Scene 4: Wat wordt toegelaten

De onuitgesproken wisselende rolverdeling zorgt er ook voor dat de moeder en de dochter ook in de liefdevolle ruimte kunnen zijn. Uiteindelijk is het een gesprek met vijf menselijke deelnemers, en een zesde van een andere orde, het aanstaande vertrek.

Dan toont zich dat het gesprek een andere fase ingaat. De verpleegkundige gaat aan de slag met het klaarzetten van de medicatie. De schoonzoon begint de avondmaaltijd voor te bereiden. Vader, moeder en dochter blijven bij elkaar in de woonkamer achter. Er wordt gehuild. Er wordt zorg gedeeld. Er wordt liefde uitgesproken. Er wordt vastgehouden. Er wordt losgelaten.

Er wordt toegelaten. Er wordt omarmd.

De Aftiteling

Voorafgaand aan het nabije einde is er nog iets dat voor en aan de wereld getoond wil worden. Wat nog gedaan moet worden staat in dat teken. Het is aangenaam om in de liefdevolle ruimte te zijn. Er kan misschien nog meer gedeeld worden. Als het de tijd gegeven is.

Rik Konincks

Zoon | Vader | Grootvader | Schoonvader | Echtgenoot

Blogger | Trainer | Coach | Master Opsteller |

Begeleider van en Zorgverlener voor ouderen

Over een gracht, achter Plexiglas…

Vrijwel alle verpleeghuizen zijn, als gevolg van de corona-crisis, gesloten voor bezoek. Zowel de bewoners als de bezoekers hebben hiermee te dealen. En dat is lang niet altijd eenvoudig. Ook de medewerkers in de verpleeghuizen, of ze nu werkzaam zijn in de zorg, zorgen voor de inwendige mens, of bezig zijn met de hygiëne in het huis, voor vrijwel allemaal is het ontbreken van het zo broodnodige bezoek en contact hartverscheurend.

In veel verpleeghuizen bestaat ook de mogelijkheid om toch enige vorm van ontmoeting te organiseren. Zo zie ik in de tuin die grenst aan het verpleeghuis waar ik werk, bewoners en bezoekers, binnen de corona-grenzen, hun creativiteit de vrije loop laten. Aan de ene kant grenst de tuin aan het huis, aan de andere kant is er een gracht – ik schat zo’n meter of 7 breed – waar zwanen met lelijke eendjes, ganzen met jongen, waterhoentjes met kleine donzen kuikens en ook een echtpaar futen met jongen op de rug voorbij komen. In de hoek van de tuin, waar de gracht een bocht maakt is aan de tuinkant een klein grasveldje, terwijl aan de andere kant van het water het grasveldje in spiegelbeeld bestaat. Aan de ene kant zit een bewoner in een scootmobiel onder een net zo mobiele parasol. Aan de andere kant van het water vrienden, familie, kinderen en kleinkinderen.

En zo kan door bezoekers en bewoners toch een mooie ontmoeting worden georganiseerd. Een ontmoeting die recht doet aan het gevoel van en de behoefte aan nabijheid én veiligheid.

Een andere vorm is die van de door-plexiglas-verdeelde-container. Aan de ene kant is ruimte voor twee bezoekers. Aan de andere kant evenveel ruimte voor een bewoner en een begeleider. Een babyfoon-achtige constructie zorgt ervoor dat de deelnemers aan de ontmoeting elkaar niet alleen kunnen zien, maar ook kunnen horen. In veel gevallen werkt het prima, ook al is het natuurlijk verre van ideaal. The best one can get in tijden van corona…

Donderdag was ik de begeleider. Tien minuten voor de afgesproken tijd zorg ik dat mijn bewoner van zijn plek af en in een transfer-rolstoel terecht komt, kam ik nog even zijn haren en gaan we samen op weg naar de lift. Een paar verdiepingen later en lager, op de begane grond, lopen en rijden we samen naar buiten in de richting van de container. In de (relatieve) verte zien we de zoon en dochter van mijn bewoner staan. Zij zien en zwaaien naar ons. En er wordt terug gezwaaid. Fijn dat er wederzijdse herkenning is.

Dan scheiden onze wegen. Bij de container aangekomen gaan wij rechtsaf, terwijl de zoon en dochter linksaf gaan. Ieder gaat bij de container aan zijn eigen kant naar binnen. We testen de techniek even, en ja, alles werkt naar behoren. Ik trek mij terug en probeer zo min mogelijk onderdeel te zijn van de ontmoeting tussen vader, zoon en dochter. Want, hij is niet van en voor mij, ik ben van en voor hem…

En dan gebeurt er iets wonderlijks…

Van het ene op het andere moment is er geen contact meer. Mijn bewoner lijkt niets meer te horen. Hij is niet doof, er is gewoon geen geluid. Hij lijkt ook niets meer te zien. En niet omdat hij blind is. Alsof hij niet verder kan kijken dan het plexiglas. Alsof hij niet verder kan horen dan de ruimte waarin we ons bevinden. Alsof de wereld aan de andere kant van het plexiglas niet (meer) bestaat. Het geluid dat via de microfoon aan de ene kant en de luidspreker aan de andere kant voor mij prima te horen is, lijkt niet meer aan te komen. De ruimte aan de andere kant van het plexiglas, waarin de zoon en dochter voor mij prima zichtbaar zijn, lijkt voor de vader niet meer te bestaan.

De vader roept, op een manier die ik herken uit zijn en ons gezamenlijk dagelijks leven “Gel gidelim…” Laten we gaan. Een uitspraak die hij vaker doet als hij wil gaan wandelen. Hij staat op en zoekt zijn rollator…

We verbazen ons over de situatie. Dat wil zeggen: de zoon, de dochter en de begeleider verbazen zich. Voor de vader is er geen verbazing. Hij geeft niet het gevoel dat hij iets mist, dat hij iets kwijt is. Het is wat het is. Voor hem. Hoe kan je iets missen wat niet bestaat? Het gemis zit bij de anderen. Bij ons. Bij mij…

Zoon, dochter en begeleider gaan met elkaar in overleg. We besluiten om, buiten de container, samen een klein wandelingetje te maken. Ik ga met de vader aan mijn kant uit de container. De zoon en dochter gaan aan hun kant uit de container. Buiten ontmoeten we elkaar weer. En van het ene op het andere moment is de ontmoeting er weer. Vol trots zegt de vader tegen mij, terwijl hij wijst, “dat is mijn zoon!” En daarna, terwijl hij weer wijst, “dat is mijn dochter!”

Hij is blij. Hij begint, in het Turks, een gedicht voor te dragen. De zoon en dochter schieten vol. Ze vertellen me dat het een gedicht is van de herders in het buitengebied van Ankara. “Papa sprak al jaren alleen nog maar met losse woorden. Geen hele zinnen meer.

En nu was er een heel gedicht. Een heel gedicht over waar hij vandaan kwam. Turkije, in de buurt van Ankara. En wat hij was.

Een schaapherder.

Rik Konincks

Zoon | Vader | Grootvader | Schoonvader | Echtgenoot

Blogger | Trainer | Coach | Master Opsteller |

Begeleider van en Zorgverlener voor ouderen

Houden van Onzekerheid

Een van de eerste uitspraken in tijden van corona die me nog steeds in bijgebleven was er een van Minister-President Mark Rutte. Op een van zijn persconferenties zei hij dat hij en met hem het kabinet 100% van de beslissingen moesten nemen met 50% van de informatie.

Hoe ongemakkelijk het ook voelt, het is ook stoer. Stoer om te weten en toe te geven dat je het niet weet. Niet als uitvlucht. Niet om iets recht te praten wat krom is. Maar in het aangezicht van wat is, toe te geven dat je het niet weet.

Ik hou van die onzekerheid.

In een eerdere blog die ik schreef rond, over en in tijden van corona, verhaalde ik over hoe ongemakkelijk het is om te moeten dealen met onzekerheid. Liever een onjuiste zekerheid dan niet weten hoe het zit. Het zijn persoonlijke verhalen, en ik durf me op geen enkele manier op het zelfde niveau te plaatsen als Mark Rutte voor me, of anderen in deze blog na me.

Maar ik hou wél van die onzekerheid.

Er zijn maar weinig mensen die kunnen leven met die onzekerheid, en dat dan ook nog eens hardop durven te zeggen (of schrijven). Socrates (469 – 399 voor Christus) was er zo een. Het enige wat ik zeker weet, is dat ik niks weet. Door middel van dit wetend-niet-weten probeert hij de waarheid zo dicht mogelijk te benaderen. Deze methode wordt ook wel socratische ironie genoemd.

Hoe ongemakkelijk het ook voelt, het is ook stoer. Stoer om te weten en toe te geven dat je het niet weet. Niet als uitvlucht. Niet om iets recht te praten wat krom is. Maar in het aangezicht van wat is, toe te geven dat je het niet weet.

Ik hou van die onzekerheid.

Twee-en-een-half-duizend jaar later staat er weer zo’n groot mens op. Die in weerwil van wat mensen om hem heen graag willen, midden in de publieke arena, en tussen de haaien van links en rechts, steeds blijft herhalen dat hij het niet weet. Dr. Anthony Fauci: I am very careful, and hopefully humble in knowing that I don’t know everything about this disease. (Ik ben heel voorzichtig en hopelijk nederig in de wetenschap dat ik niet alles weet over deze ziekte.)

Hoe ongemakkelijk het ook is, het is ook stoer. Stoer om te weten en toe te geven dat je het niet weet. Niet als uitvlucht. Niet om iets recht te praten wat krom is. Maar in het aangezicht van wat is, toe te geven dat je het niet weet.

Ik hou van die onzekerheid.

Natuurlijk vind ook ik het fijn als iemand mij de zo gewenste zekerheid geeft en de zo gevreesde onzekerheid wegneemt. Maar ik ken ook de gevolgen van schijnzekerheid. En hoe onprettig het is om te moeten constateren dat iemand je iets verteld wat achteraf gewoon niet waar blijkt te zijn. En hoe gevaarlijk het is om op basis van geweten-schijnzekerheid beslissingen te nemen.

Als je niet weet of iets waar is, maar doet alsof je dat wel weet, is dat dan niet gewoon liegen?

Ik hou wel van onzekerheid. Ik hou niet van liegen.

Rik Konincks

Zoon | Vader | Grootvader | Schoonvader | Echtgenoot

Blogger | Trainer | Coach | Master Opsteller |

Begeleider van en Zorgverlener voor ouderen

Eenzaam

Enige tijd geleden reden we samen in de auto terug van een bezoek aan een dierbare. Twee uur op de automatische piloot geeft je dan ook de tijd voor een gesprek, dat ook momenten van stilte toelaat. Een dag later reden we terug van een bezoek aan een andere dierbare. Via een omweg, we moesten nog even een boodschap doen, duurde die reis ongeveer een uur. En het leek alsof het gesprek van de dag ervoor zich voortzette. In deze blog een paar flarden, een paar bevindingen, een paar conclusies van en uit dat gesprek.

Sterven is een proces

Sterven is een werkwoord. Om te sterven moet je aan de slag. De handen uit de mouwen. Het gaat niet vanzelf. Het resultaat van al dat werk is een nieuwe status. Je bent dan dood. Het klinkt misschien een beetje vreemd, maar sterven is heel hard werken…

Sterven doe je alleen…

Heel veel andere dingen kun je samen doen. Of kun je van iemand overnemen. Je kunt samen boodschappen doen. Samen behangen. Je kunt samen de afwas doen. Maar je kunt niet samen dood gaan, je kunt niet samen sterven. Dat moet je alleen doen.

Sterven is eenzaam…

Sterven doe je alleen. En sterven kan je ook alleen maar alleen doen. Er is niemand die het van je over kan nemen. Mensen kunnen wel bij je zijn en je bijstaan, maar dat veranderd helemaal niets aan het gegeven dat je het nog steeds alleen en zelf moet doen. En dat maakt sterven ook een eenzaam gebeuren.

smart

Ik kan niets voor je doen…

Wat dan rest is de vraag wat je, als buiten-staander, of als naast-staander, dan kunt doen voor die ander. Om die vraag te beantwoorden moet je wellicht eerst stilstaan bij de vraag wie er nu eigenlijk geholpen moet worden of wil worden? Wie help je eigenlijk?

Er lijken grofweg twee opties:

  • Ik help de ander
  • Ik help mijzelf

De ander helpen kan eigenlijk alleen dan als de ander begint met het stellen van een vraag. Zou je iets voor me kunnen doen? Zou je iets voor me willen doen. Dat zijn vragen in de trant van Zou je me het zout aan willen geven. Een dergelijke vraag is vaak heel goed te beantwoorden, ook al is het antwoord Nee, ik kan niets voor je doen…

Jezelf helpen ligt toch iets gecompliceerder. Het gaat er dan om te ontdekken wat de vraag is. Wat het is waar je mee geholpen wil of moet worden. Het helpen van jezelf in die gevallen waar sterven aan de orde is, is veelal het worstelen met het verlies van de ander. En wellicht niet zo zeer het verlies van de ander, als wel de consequentie daarvan. Zelf achterblijven. Zelf de verantwoordelijkheid moeten dragen. Zelf aan de slag moeten gaan. Niet meer op de ander kunnen leunen en steunen.

Het is wellicht het meest liefdevolle dat je voor een ander kunt doen te zeggen, te voelen, te vinden, te weten dat je niets voor de ander kunt doen. En dat dat alles is wat je kunt doen. Daarmee geef je de ander wat van hem of haar is. Het recht om pijn te hebben en te voelen. Het recht om verdrietig te zijn. Het recht om alleen te zijn. Het recht om zelf te doen wat je zelf moet doen.

Het recht om eenzaam te zijn…

Rik Konincks

Zoon | Vader | Grootvader | Schoonvader | Echtgenoot

Blogger | Trainer | Coach | Master Opsteller |

Begeleider van en Zorgverlener voor ouderen

Eenvoudig is niet altijd gemakkelijk…

Een paar dagen geleden schreef ik een blog onder de titel Ongemakkelijk. Over het ongemakkelijke gevoel om plotseling overal een oordeel over te hebben, zonder dat je het in de gaten hebt – mijn vrouw noemt dat de Corona-politie – en over het ongemakkelijke gevoel dat boven komt drijven als je in de gaten krijgt dat gewoon doodgaan van ouderdom verdraaid lastig is.

Vandaag een update en een vervolg.

Overleden én corona, niet áán…

Ik ben niet zo’n heel erg familiemens. Van de uitdrukking mensen-mens word ik heel erg zenuwachtig en krijg ik jeuk. Maar als een familielid overlijdt, dan sta ook ik daar toch even bij stil. Niet omdat het moet, wel omdat het kan.

Mijn tante was een paar jaar ouder dan mijn moeder. En die is nu 90, dus reken maar uit. Ik kom tot de de conclusie dat het leven voltooid was. De laatste jaren was zij opgenomen in een verpleeghuis met de mooie en veelzeggende naam Myosotis – Vergeet mij niet. En ook al kwam ik eigenlijk nooit op bezoek, ik heb haar niet vergeten.

Mijn tante was ook mijn peettante. Ik denk dat die rol tegenwoordig niet zo heel erg vaak meer wordt toebedeeld. Net als Opa en Oma, in plaats van Grootvader en Grootmoeder, heeft Peettante (en ik schrijf het nu bewust met een hoofdletter) , iets warmbloedigs. Peettante (en natuurlijk ook Peetoom) is een geuzennaam. Die je krijgt van de ouders omdat ze je waarderen, liefhebben en omdat ze de hoop hebben dat je over de schouder mee zult kijken en bij zult staan als dat nodig is. Niet eerder dan dat. Ik vind dat een mooie positie. Een van wederzijdse eerbiediging van de plaats en de rol van de ander.

Mijn tante was natuurlijk niet zomaar in het verpleeghuis opgenomen. Tal van lichamelijke klachten, gekoppeld aan een beetje Alzheimer maakte dat het thuis niet meer ging. Mijn moeder, die nu the last (wo)man standing is, ging nog regelmatig bij haar op bezoek. Mijn zusje nam haar dan onder de arm.

Bij mijn tante, dik in de 90, werd een week geleden ook corona vastgesteld. En ja, nu is ze overleden. Ik sprak er gisteren met mijn moeder over en zij vertelde mij dat haar zus dood was gegaan aan de ouderdom. Ik reageerde bevestigend en vulde aan dat ze nu ook in de dagelijkse corona-slachtoffers zou worden meegenomen. Mijn moeder reageerde: “Ach, vast, maar ze is doodgegaan omdat ze oud was. Corona maakt het verlies niet groter of kleiner…”

Ik vond het een mooie houding.

Aan de wandel

Ik begeleid in het verpleeghuis twee bewoners die beiden een sterke loopdrang hebben. Je kunt er een hoop van zeggen, bijvoorbeeld ook dat het goed voor mijn conditie is, want ik haal hierdoor makkelijk een gemiddelde van zo’n 15.000 stappen per werkdag.

Beiden hebben een wonderlijke fixatie op eten. Is het te eten, dan gaan ze er mee vandoor. Dat is niet altijd handig, zeker als het eten ook gedeeld moet worden met andere bewoners, of als het gewoon op het bord van een ander ligt, en soms is dat ook niet altijd veilig, zeker niet als je geen belemmering ziet om een aardappel uit een pan kokend water te halen. Ik bewonder de huiskamerbegeleiders, want ze zien het risico en wonder boven wonder, het heeft zich nog niet voorgedaan.

Wat ik doe is structuur bieden aan de loopdrang. We lopen over de gangen van de afdeling, of we gaan, als het weer het toelaat, naar buiten om een frisse neus te halen, waarbij we natuurlijk de veiligheid en de anderhalve meter in de gaten houden (ik ben het vooral zelf die dat doet, omdat anderhalve meter en een ver gevorderde dementie niet een heel gelukkige combinatie is).

Tijdens een van die wandelingen merkte ik op dat het wat uit maakte hoe je de hand van de ander vasthoudt, en wie de hand vasthoud.

Het maakt wat uit of je een hand geeft of een hand neemt. Als je de hand neemt, en dat merk je bijvoorbeeld door de kracht of de stevigheid van de hand, dan neem jij de leiding. De ander moet dan volgen. Dat gaat vaak prima, maar soms ook helemaal niet. Dan leidt een genomen hand, en de genomen leiding tot paniek, tot een tegengestelde beweging. Geef je de hand, dan bied je steun, geef je vertrouwen en laat je de regie bij de ander. Ook die houding is goed te voelen. Neem je de hand, dan neem je de leiding. Geef je de hand, dan geef je steun. Een boeiende verhandeling over dit onderwerp, en over de onderliggende principes van Agens en Communio las ik hier.

Multidimensionaal

Ik ontdek steeds meer dat bewoners van een verpleeghuis, net als gewone mensen in de gewone wereld, niet één-dimensionaal zijn. We zouden dat misschien wel graag willen, want daarmee wordt de wereld een stuk eenvoudiger, maar de werkelijkheid is anders. Mensen, en zeker oudere mensen, zijn multidimensionaal. Ze hebben veel meegemaakt. En nog veel meer weten we gewoon niet. Het is echter wel van belang om me steeds te realiseren dat die meerdere dimensies er zijn.

Van een bewoner, die niet meer spreekt, weten we wel een beetje, maar niet alles. Er zijn vermoedens, maar er is geen zekerheid. En er is ook geen mogelijkheid meer om te het kunnen vragen. Jammer maar helaas. Maar de werkelijkheid, dat wat zich toont, is er altijd en daar kunnen we ook veel informatie uithalen. Van een van de bewoners weten we dat in het leven van die bewoner nooit relaties zijn geweest. Wat we vermoeden is dat er een mogelijkheid bestaat van macht en machtsmisbruik. Of dat ook seksueel geladen is, is onduidelijk.

In de eerste weken dat ik met deze bewoner aan het werk was, merkte ik op dat zij wel in slaap kon vallen als ik er niet bij was, maar dat ze dat niet kon als ik er wel bij was. In de loop van de weken verschoof dat patroon, ontstond er blijkbaar iets van veiligheid en zekerheid, waardoor de bewoner zich over kon geven en ook op de bank, naast mij, in slaap kon vallen. In die tijd ontdekte ik overigens ook het eerder beschreven verschil tussen de hand nemen en de hand geven.

En dan wordt het ongemakkelijk

Schrijven, herschrijven, aanvullen en weglaten. Omdat het ongemakkelijk voelt. Ik moet de waardering uitspreken over mijn collega’s die me laten zien hoe het ook anders kan, de bereidheid hebben om er over in gesprek te gaan, en aan mij de vrijheid kon bieden te doen wat ik moest doen. Ik realiseer me dat dit een wellicht wat cryptische omschrijving is.

Er wordt gegeten. Eerst een warme maaltijd, daarna een toetje. Aardappelen met groente en een gehaktbal. Apfelstrudel met slagroom. Iemand een maaltijd aanbieden in combinatie met loopdrang, je kunt je vast voorstellen dat dat een hele uitdaging is. Maar als je iemand de vrijheid geeft om te gaan, als je volgt, dan hoeft een warme maaltijd en loopdrang geen onoverkomelijke combinatie te zijn. Resultaat: Één leeg bord en twee blije mensen.

Daarna het toetje. Daar ging het anders. De bewoner in een stoel. De ander staand er voor. Groot versus klein. Angst. Klem gezet worden. Paniek. Onmogelijk om te ontsnappen. Er moet gegeten worden. Weg willen. Niet weg kunnen. Overgeven. Overgave.

Het geheel duurde een minuut of drie. Toen het voorbij was liep de bewoner weg. Vond een plek in alle rust. Sloot de ogen en viel in slaap. Toen het voorbij was liep ik er nog ongeveer een uur mee rond. Om daarna het gesprek aan te gaan met mijn collega.

We spraken over macht en onmacht. Over veiligheid en vrijheid. Over de ruimte om te kunnen ontsnappen. Over het onpraktische van (weg)lopende bewoners. Over gemak om maar één ding te hoeven doen. Over het verschil te werken met en voor één versus met en voor veel.

Over Agens en Communio.